Life Natura 2000

Wijziging en sterke verstoring van de natuurlijke hydrologie  

Zoals reeds in het beschrijvende gedeelte aangehaald, wordt het projectgebied gekenmerkt door een bijzondere hydrologie en geomorfologie, die mee aan de basis liggen van het his­to­ri­sche voorkomen van zeldzame habitats zoals vennen (3110 en 3130), natte heide (4010) en heischrale graslanden (6230+), met hun geassocieerde soorten zoals drijvende water­weeg­bree Luronium natans (1831), in het projectgebied.

Helaas heeft de mens de natuurlijke hydrologie van het projectgebied zowel historisch als re­cent sterk in zeer negatieve zin beïnvloed waardoor de vermelde habitats vernield of min­stens sterk gedegradeerd zijn!

In het projectgebied werden omzeggens alle plassen en vennen in het verleden systematisch ge­dempt, ontwaterd en vernield. Op percelen die in landbouwgebruik werden genomen, wer­den natte zones en vennen opgevuld of door herhaalde bewerking afgevlakt. In de zone met de commerciële naaldhoutaanplanten werden alle vennen doorgestoken en nadien met den­nen beplant. De contouren van de meeste vennen zijn nog duidelijk zichtbaar op het terrein, bij­voorbeeld aan de plaatselijk nog scherp afgetekende oevertaluds. Ondiepe vennen zijn met het oog niet meer zichtbaar, meestal kan wel nog het typisch aflaatsysteem met be­grep­pe­ling in visgraatsysteem worden terug gevonden. Dit duidt op een historisch gebruik als vis­kweek­vijver.

In totaal verdwenen in het projectgebied een dertigtal vennen, geclusterd in verschillende ven­complexen! De gevolgen van deze vernieling laten zich al raden. Naast de biologische rijk­dom van de vennen zelf, verdwenen ook de waardevolle gradiëntzones van nat naar droog eromheen.

De mens heeft recent de natuurlijke hydrologie van het projectgebied bijkomend negatief beïn­vloed door de aanleg van een netwerk van drainagegrachten en –buizen. De gevolgen zijn velerlei. Zo vangt het drainagenetwerk het kwelwater weg dat verspreid in het project­ge­bied aan de oppervlakte komt, waardoor bijzondere vegetaties (zoals Heischrale vegetaties (6230+)) sterk achteruit zijn gegaan. De drainagegrachten voeren ook het bodemwater snel­ler af, waardoor er een algehele verdroging en (als gevolg hiervan) eutrofiëring optreedt in het projectgebied. De lagere grondwaterstand laat ook een intensiever gebruik van de land­bouw­gronden en de commerciële naald- en loofhou­taanplanten toe, zodat de aanleg van drai­na­gegrachten indirect ook leidt tot meer habitat­verlies en habitatfragmentatie.