Life Natura 2000

Habitatverlies door ontginning en intensivering van landbouw 

Tussen 1900 en 1935 werden in het projectgebied verschillende delen ontgonnen tot land­bouw­grond. In de eerste helft van de 20ste eeuw zien we een plotse toename van akkers en graslanden in het projectgebied. Na het einde van WO II worden deze landbouwpercelen ook steeds in­ten­sie­ver gebruikt door de landbouwers. De percelen worden beter gedraineerd, zwaar bemest en steeds vroeger bewerkt. Hierdoor vormen deze landbouwpercelen vaak enclaves in het project­gebied, die een zeer negatieve impact uitoefenen op de omringende habitats.

Bij deze ontginning gingen een hele reeks zeer waardevolle habitats verloren, met name Nat­te heide (Ericion tetralicis (4010) en Rhynchosporion (7150)), Droge heide (psammofiele heide met Calluna en Genista-soorten (2310) en Callunetum (4030)), Duingraslanden (Cory­ne­phoretalia canescentis (2330)), een waardevol vennencomplex (Littorelletalia uniflorae (3110), Nanocyperetalia (3130)) en – in mindere mate - Querco-Betuletum bos (9190).