Life Natura 2000

Exoten die ontwikkeling kwaliteitsvolle Annex I habitats verhinderen 

De meest opvallende exoot in de relicten van wintereiken-beukenbossen (9120) en zo­mer­ei­ken-berkenbossen (9190) in het projectgebied is ongetwijfeld Amerikaanse vogelkers (Pru­nus serotina). Op de matig droge tot natte zandige bodem is deze soort, net zoals de in de hele streek, bijzonder agressief. Prunus serotina kan dichte bestanden vormen in de on­der­eta­ge van een bos. Door deze groeiwijze en het moeilijk verteerbare strooisel is kieming van in­heemse boom- en struiksoorten zo goed als onmogelijk. Ook de ontwikkeling van een ge­va­rieerde kruidlaag, typisch voor bossen van het type 9120 en 9190, wordt zeer negatief beïn­vloed.

Een andere agressieve exoot in het projectgebied is de Amerikaanse eik (Quercus rubra). Deze soort werd voornamelijk aangeplant als dreefboom in het strakke ontginningspatroon van het projectgebied. Ook deze exoot zorgt voor een moeilijk verteerbaar strooiselpakket op de bodem, waardoor de kieming van soorten eigen aan wintereiken-beukenbossen (9120) en zo­mereiken-berkenbossen (9190) niet mogelijk is. Bovendien kan Quercus rubra zeer snel kie­men bij omvormingsbeheer van aanplanten en dit zowel op open plekken als onder ge­slo­ten kronen. Hierdoor kan de soort op korte tijd een bos volledig gaan domineren.

Uit eerder uitgevoerde onderzoeken in Vlaanderen is dan ook ondubbelzinnig gebleken dat de omvorming van homogene aanplanten naar gemengde, ongelijkjarige en soortenrijke bos­sen (9120, 91990) slechts mogelijk is indien de dominantie van deze soorten en hun ver­mo­gen om explosief uit te breiden doorbroken kan worden.

In de tweede plaats vormen deze soorten een mogelijke bron voor uitzaaing in herstelde en zich ontwikkelende habitats in het projectgebied. Alle twee de soorten kunnen immers ge­mak­kelijk en zeer snel kiemen en kunnen habitats die in omvorming zijn snel koloniseren. Om te vermijden dat de inspanningen voor habitatherstel te niet worden gedaan door uitzaai­en­de agressieve exoten, dienen de ‘bronpopulaties’ bestreden te worden.

Gezien hun huidige verspreiding en hun overlevings- en reproductiemogelijkheden in het pro­jectgebied is een planmatige bestrijding van deze soorten noodzakelijk.