Opnieuw kunnen we putten uit historische botanische verslagen om een beeld te krijgen van de enorme potenties die er in het gebied aanwezig zijn inzake ecologisch waardevolle bossen behorende tot de types wintereiken-beukenbossen (9120) en zomereiken-berkenbossen (9190). Louis Ghysebrechts was op het einde van de 19de eeuw getuige van de laatste relicten van het loofwoud op de heuvels rond Averbode, voordat het gedegradeerd en vernield werd door de naaldhoutaanplanten. De bossen van Averbode, Westerlo en Tongerlo vormden toen in hun totaliteit de grootste oppervlakte loofbos, die in de Kempen was overgebleven.
Oorspronkelijke bossen staan bekend om hun rijkdom aan planten en dieren. Vooral op de iets rijkere ijzerzandsteengronden moet een in Europa zeldzaam bostype met wintereik hebben gegroeid waarin Ghysebrechts nog regelmatig zaagblad, knollathyrus, bochtige klaver, betonie, zwartblauwe rapunzel en berghertshooi heeft gezien.
De omvorming van de monotone aanplanten naar waardevol bos kan op twee manieren gebeuren :
- verwijderen van alle aangeplante naaldbomen via kaalslag om vervolgens via spontane verbossing zomereiken-berkenbos (9190) en wintereiken-beukenbos (9120) te laten ontwikkelen;
- onregelmatige pleksgewijze, sterke dunningen om in de open plekken soorten van zomereiken-berkenbos (9190) en wintereiken-beukenbos (9120) te laten ontwikkelen.